Wespenplaag Tijdens Tropische Dagen In Amsterdam
De stad Amsterdam werd geteisterd door een wespenplaag en het was niet verwonderlijk dat de wespen ook binnen in de supermarkt rond zoemden met hun geduchte angels in aanslag. Meneer Kus stond met een bijna volle boodschappenkar met piepende zwenkwielen stil in de rij bij de kassa en liet zijn geduld op de proef stellen. Als taalmens, gebiologeerd door het fenomeen taal, herinnerde hij zich de uit mode geraakte uitdrukking geduld is een schone zaak en hij keek naar de vloer. Was die wel aseptisch schoon gedweild? Grijze tegels, je kon het niet goed zien. Schoon, het woord liet zich niet verwarren met het woord vuil. Eveneens als het woord snel nooit met langzaam werd verward. IJzeren logica van de taal.
De caissière, blank en blond, was Afrikaans lui. Ze leek op de verkeerde plaats te zitten. Je zou haar zo willen terugsturen naar de basisschool om daar opnieuw te leren wat haar destijds was ontgaan. Behalve blank en blond had ze ook blauwe ogen, zoals een zwarte kat gele ogen heeft, die kijken naar wie weet waar ze naar kijken.
Het duurde een eeuwigheid (dus meer fucking tijd dan je ooit kunt voorstellen) voordat Kus aan de beurt kwam. Hij observeerde de inhoud van zijn boodschappenkar. Overzag het geheel met een gevoel alsof hij alweer in iets gefaald had. Ja, natuurlijk toch weer teveel boodschappen gedaan – je leert het nooit, Kus. Heimelijk kon hij zich een kleine reprimande jegens zichzelf permitteren. Een berisping voor de lol, om de tijd te doden.
Nou ja, een flesje (bio) wijn extra dat moet toch kunnen voor het weekend en hij had enige lekkernijen uitgekozen: Thaise pinda’s, met knoflook doordrenkte olijven, Franse salami, pitloze druiven, een kaasplankje enzovoorts. Smullen straks, in je casual outfit op de bank televisie kijken, vanavond was een BBC-documentaire over onheilbrengende jihadistische terroristen geprogrammeerd, daar verheugde hij zich op. Kijken hoe dat Arabische uitschot zich organiseerde. Ze hadden een heel andere verwachting van de dood. Doodgaan kon het gelukkigste moment van hun leven betekenen.
Een vrouw, nondescript, uitpuilende boezem, geen 40 meer, met onsmakelijk felle rode lippen, sloot achter hem in de rij aan. Ze zette haar boodschappen op de band, allereerst een netje knoflook. Die netjes waren altijd in het wit, viel hem op, rode uien kregen een rood netje. Hij keek haar aan. Misschien was ze een terrorist die een kerncentrale wilde opblazen, fantaseerde hij, gewoon om de verveling een beetje te doden.
Er ging een wesp zitten op de blote arm van de vrouw. Kus pakte de wesp precies bij het vleugeltje tussen z’n duim en wijsvinger, bracht de wesp in zijn mond, kauwde er even op en slikte het door. En glimlachte, alsof hij een delicatesse had geproefd.
‘Dat is lief van u,’ zei de vrouw op boterzachte toon.
‘Ja, ik ben een lieve man,’ grijnsde hij.
‘Pas op!’ riep de caissière verschrikt. Ze wapperde panisch met haar handen en probeerde een wesp weg te slaan.
Kus ving de wesp precies bij het vleugeltje en at het weer gewoon op, hij smakte nog wat na.
‘Wat ontzettend lief van hem, echt een gentleman!’ zei de vrouw tegen de caissière. ‘Lief hè!’ herhaalde ze.
Kus ging er niet op in. Hij zag dat z’n voorbeeld nu werd gevolgd door de andere mannen. Bijna iedereen kauwde wel op een wesp. Men smikkelde erop los. En niemand had last van de angels. De arme wespen, toch begenadigd met enige intelligentie, begrepen er niets van.