Catherine Deneuve Parijs 1966

door | Meneer K

Cultfilm Belle de Jour van Louis Buñuel

Locatie Amsterdam filmhuis Rialto

Buñuel laat de klassieke door truttig burgerdom getekende schoonheid van Deneuve prachtig contrasteren met de frustraties, obsessies en leugens van de zelfkant anno 1966, toen Parijs nog een experimentele stad was, open voor nieuwe ideeën en vergezichten.

Voor de tweede keer bekeek meneer K de speelfilm Belle de Jour van regisseur Louis Buñuel en ook deze keer kon hij z’n ogen van Deneuve niet afhouden. Ze roept een eigenaardige vertedering op zoals ze de rol van Severine speelt, in haar onaards gesteven mantelpakjes, haar smetteloze lingerie en haar al even onaards gesteven superieur jaren zestig smoeltje, als vrouw van een arts met wie het in bed niet klikt.

Seksueel is Severine niet in orde. Ligt daarin haar charme? Is ze frigide en wordt ze daarom geplaagd door wellustige dromen en masochistische fantasieën waarin ze als een geit vastgebonden aan een boom mishandeld en vernederd wordt?
Gaat ze heimelijk in een bordeel werken om de seksualiteit te ontdekken? Ze is een product van de tijdsgeest, de seksuele revolutie van de jaren zestig draait op volle toeren. Op gezette tijden, ’s middags, als een dagvlinder fladdert ze in het bordeel en laat ze zich door ploerten neuken – hoe ijzig en onverschrokken ze dat ondergaat. Deneuve acteert met een ongelooflijke air van gevoelloosheid. Dat maakt het verschil. Een gewone actrice, zonder dat charisma van gevoelloosheid, zou van zichzelf in die rol een karikatuur maken.

Een bordeelklant, het rauwe type crimineel gehuld in een lange zwarte leren Nazi-jas raakt verliefd op haar. Hij is de personificatie van het beest, loopt wat scheef op een wandelstok met een priem erin, hij pronkt met een gebit dat lijkt op de tanden van een haai, een lange meedogenloze lelijke gozer, maar mooi lelijk, innemend grof, heel anti-bourgeois in feite zelf een leeghoofd. De spanningen van de geheime hoer die niet terugdeinst van de seksuele tirannie en de verliefde crimineel die de hoer voor zichzelf wil opeisen, desnoods met geweld, die spanningen leveren scènes op om van te watertanden tegelijkertijd roepen ze walging op.

Buñuel laat de klassieke door truttig burgerdom getekende schoonheid van Deneuve prachtig contrasteren met de frustraties, obsessies en leugens van de zelfkant anno 1966, toen Parijs nog een experimentele stad was, open voor nieuwe ideeën en vergezichten. Er hing tegelijkertijd revolte en naïviteit in de lucht. Sartre en Camus waren in de mode, twee filosofen die de intellectuele elite onderuit haalden, de gevestigde orde werd bij de lurven gepakt, moet een boeiende tijd zijn geweest in Parijs.

De film eindigt met het beeld van Deneuve in de huiskamer werkend aan een borduurwerkje, dan heeft ze na haar brute uitspattingen haar gedistingeerde kuisheid hervonden, terwijl haar man in een rolstoel is terechtgekomen. Je ziet hem nog vaaglijk wat bewegen waarmee Buñuel suggereert: speelt de arts op zijn beurt het bedrog van zijn vrouw? Veinst hij verlamming om haar te straffen? Het is een einde dat voor wie uitsluitend strak logisch denkt hinderlijk cryptisch overkomt. Juist daar hield K wel van. Dat je ’s nachts in bed plotseling een spaceflight moment van understanding ervaart. 

foto bevat interne link dagboeknotitie 2006