Hamlet
Kort verhaal gepubliceerd in het literaire tijdschrift De Tweede Ronde 1993
Het atelier is vroeger een ziekenhuiszaal geweest voor militairen. Vele schilderijen, linnendoeken geniet op spielatten, leunden met hun achterkant tegen de muur. Werk in wording. Maar eigenlijk, met hun ongesigneerde kont naar me toegekeerd, intrigeerden ze me al voldoende. In de hoek bij de ramen stond een werktafel. Er lag een vadsig rood boek op dat bijzonder mijn aandacht trok: `The complete works of William Shakespeare`. Een wat doods licht slenterde langs het glanzende papier van de omslag, waarop gele en witte letters vloekten. Shakespeare wel heel erg groot. Ik telde het aantal letters van zijn naam: elf. Elf klinkt als het tussenwerpsel eh… Het getal roept weinig op, tenzij je het in de gedaante van een jonge vrouw voorstelt. Maar ik was nu niet om een elfensprookje verlegen. Als model heb je slechts een geliefkoosde bezigheid: gedachteloos blijven en van jezelf objectiveren. Een hele kunst en tot dusver had ik weinig succes.
Ook lichamelijk is het een zwaar en dwingend proces. Alles stond onder spanning en ik moest er tegen knokken om in de houding te blijven, de benen recht en het hoofd wat voorovergebogen, de armen gekruist over de borst en de handen in de oksels weggeborgen om, zo had ik begrepen, de indruk van moedeloosheid te versterken.
Eerder hadden we de op Rodin geïnspireerde houding van het beeld `Het koperen tijdperk’ uitgeprobeerd. Maar het gebaar dat de man maakt, hij grijpt naar het hoofd, beviel haar na een paar schetsen al niet meer, terwijl ze een hele tijd bezig was geweest mij als een mechanische pop in de juiste houding te krijgen.
Ze zocht een mythische verschijning. Toen kwam ze op het idee van dat zenuwachtige, dat uit balans gebrachte, dat onnatuurlijke van het constant vooroverbuigen. Op den duur dreigde ik ‑ keurig met de armen over elkaar ‑ voorover te vallen, boven op de mannen, die ze kris kras voor m’n voeten had neergelegd.
`Hier, heb je wat om naar te kijken.’
Ik observeerde ze gebiologeerd. Brutale zwijglippen. Ogen die minachting uitspuugden. Hun geslachten hingen er als protheses bij. Homo‑erotische scènes. Leren zweepjes en kettingen.
Woorden die alles bederven, zoals pervers, smerig en obscurantistisch, hadden zich opgedrongen, maar mijn aanvankelijke weerzin zwakte langzaam af. De naakte mannenlijven imponeerden me. Er ging een verwarring van uit die me prikkelde. Vele betekenissen liepen in deze fotografie door elkaar. Moeilijk om een keuze te maken.
Je wachtte op het breekpunt, een soort stille ontploffing, waarna je onversplinterd en uren lang kon blijven staan, zonder de lichamelijke ongemakken te voelen. Maar hoe zozeer ik mijn best ook deed, ik miste de conditie. En mijn ontploffing kwam maar niet. Ongekende zenuwspieren begonnen te trillen. De kuiten werden harder. In de nek voelde ik een pijnlijke kramp. In de neus had zich een koude kriebeling vastgebeten, die daar hardnekkig bleef zitten en maar niet in een verlossende ha‑ha‑tie wilde losbarsten. Het tochtte tussen m’n benen, wat de winter terugriep, die net was vervangen door een warme lente.
Ik had Zoezie, die mij tekende, ontmoet in het Vondelpark waar ik op een zondagmiddag in het gras lag te zonnen onder een volbloeide wilg. Ze kwam bij me zitten.
`Dag, mag ik mij even voorstellen, ik ben Zoezie.’
Bij het uitspreken van haar naam tuitte ze haar lippen. (Getuit, wegens die dubbele z, zei ze later, anders, met de lippen op elkaar, krijg je een gemene sisklank.)
`Mooie naam.’
`Dank je.’
`Nederlandse?’
`Ja,’ lachte ze en gaf me een hand. Zonder blikken of blozen vroeg ze of ik voor haar wilde model staan.
`Pik je altijd mensen uit het park op? Om ze vervolgens thuis te gaan wurgen.’
`Nee, nee,’ lachte ze onschuldig, `ik doe dit voor de eerste keer. Ik zag je liggen en dacht: kom, ik stap gewoon even naar hem toe en vraag het hem. Meestal gebruik ik professionele modellen en eh… Ja, ik wilde eens iets nieuws proberen. Doe je het? Ik betaal je een redelijk bedrag per uur.’
Wie nog nee kon zeggen, was niet goed bij z’n hoofd. Ik kon het geld wel gebruiken. Nadat ze had uitgelegd wat ze wilde en hoe ze werkte, accepteerde ik haar opdracht. Ik was gevleid dat ze mij had gekozen uit de vele in het gras liggende gegadigden, die toegerust waren met een spectaculair torso.
Eerder had ik model gestaan, in een slaapkamer, voor een vriendin die zich door de eerste jaren van de Rietveld-academie heenworstelde. (Later is ze voor een bank gaan werken.) Destijds had ik veel moeite tot een object gedegradeerd te worden en voelde mij gekrenkt dat ze met haar opeens zo priemende en ambachtelijke blik voorbij ging aan het wezen van mijn bestaan, waar ik toen tamelijk bevlogen ideeën over had. Ik stoorde mij vreselijk aan haar. Zij die van mij hield, hoe kon zij zo koel kijken?
Het was een ziekelijk overdreven antipathie. Zij wist er geen raad mee. Uit ergernis dat ik het doorgaans niet langer dan vijf minuten kon volhouden, riep ze aldoor: `Belachelijk, belachelijk!’
Door de uitnodiging van Zoezie te accepteren, had ik nu de kans om te zien in hoeverre ik vrij was van m’n lichaam. Dikwijls had ik het lijf schaamteloos weggegeven. Misschien had zij dit opgemerkt. Bijna de hele middag bleven we met elkaar praten, waarbij Zoezie’s ogen onophoudelijk lentedwaas twinkelden. Ze vroeg of ik gemakkelijk uit m’n kleren stapte en lachte een beetje gluiperig ironisch toen ik enigszins hakkelend probeerde duidelijk te maken dat mijn seksuele belangstelling nihil was geworden en het lichaam een dienende rol toebedeelde om de geest gezond te houden.
Dus waarom niet, dat model staan. De tekening die ze wilde maken was speciaal bedoeld voor een affiche waarop de figuur Hamlet centraal moest staan. Het was een opdracht van een theatergezelschap, dat bekend stond klassieke stukken in gewaagde ensceneringen naar hedendaags toneel te vertalen. Ze mocht helemaal vrij werken, maar het moest wel kei‑en keihard zijn, mooi agressief en je weet wel blablabla, die theatermakers.
Maar Zoezie was zelf ook niet vies van blabla. Ze snoefde dat ze veel affiniteit had met het thema, ja, eigenlijk altijd uitsluitend mannen tekende en inmiddels al enige faam genoot in het galeriecircuit van Tokio tot New York.
Ik onderbrak haar irritante successtory: `Voor mij hoef je niet beroemd te zijn, hoor, wil ik voor je model gaan staan.’
`Nee, natuurlijk niet,’ twinkelde ze.
Toen kwam er een vreemde wending: buikvet.
Ze wees enkele dikke mannen aan, die sloom voorbij liepen met hun broekriem losjes onder de buik en als honden met hun blik het gras besnuffelden, waar enkele vrouwen topless lagen.
`Kijk, dat is een peerman. Dat type daar, dat is een appelman.’
Peermannen en appelmannen…?
`Vrouwen hebben het ook. Let maar eens op. Bij de een leidt de vetverdeling tussen buik en heup tot de vorm van de peer, bij de andere ontstaat de appelvorm.’
Ze keek naar mijn buik.
`En wat ben ik? Appel of peer?’
`Blijf jij altijd op een constant gewicht?’
`Geloof het wel.’
`Ik niet. Het is bij mij afvallen en weer aankomen. Soms val ik flink af, een half jaar later loop ik weer met vijf kilo extra te puffen.’
`Mayonaise?’
`Ben je gek! Nee, absoluut niet. Dan slik je toch regelrecht je eigen buikvet in!’
Behalve Shakespeare stond er op de tekentafel een fles wijn met glazen en een kaasplankje, Brie en Camembert, een opgezette fazant, balancerend op een stoffig sokkeltje, diaprojector, tubes en potjes verf, van het merk Windsor, een zak gipspoeder, spuitbussen: Talens Fixative en Mecanorma artwork spray, een fles brandbenzine, een halve liter Rotring Oost-Indisch inkt, oude aan haaruitval lijdende penselen, gepropt in een blik gepelde tomaten genaamd Ginelli, lange kromme staven houtskool, allerlei potloodbakjes met bobbels kneed-gum ernaast, doezelaars, kistjes vol half afgebrokkeld Rembrandt pastelkrijt, een fotoboek `Kiki’s Paris ‑ Artists and Lovers 1900‑1930′, waarop een draadloos telefoontoestel lag. Ander apparatuur had ze niet.
Ik stond in het snijpunt van twee lichtbanen en bekeek hoe Zoezie met het puntje van haar tong haar onderlip van links naar rechts aflikte. Ze vermeed systematisch mijn blik en keek strak naar de lijnen van mijn lichaam en dan weer naar het papier dat ze op haar schoot hield.
Ze zuchtte. Ik dacht ze is klaar. Toen zuchtte ze weer, even zo diep. Ik zag haar buik lichtelijk opheuvelen. In haar schouders waren spanning en concentratie zichtbaar. Ze hield haar rug recht. Wat had ze een gracieuze zithouding. Zoezie was het mooist wanneer ze niet praatte, ook al kon ze kwikzilverachtig over kunst causeren.
Weer dwaalde m’n blik over haar lichaam, net zoals zij mij bekeek, hoewel zij waarschijnlijk minder dwaalde. Haar ene knie rustte op de andere. Glanzende, liklustwekkende benen. Haar enkel was slanker dan mijn pols. Het leek een opvallende ontdekking die evenwel verder niets zei, ook wanneer ik het ritme van haar ademhaling volgde, onthulde dit niets verrassends. Had ik het punt van gedachteloosheid bereikt?
Ik kreeg een plotselinge haat om op deze manier de tijd te doden ‑ die ledigheid! Ik vervloekte het model staan. Dodelijk vermoeid verbrak ik de houding.
`Hee, wat doe je?’
`Sorry, maar het gaat echt niet langer.’
`Nog even, ik ben zo klaar. God, doe niet zo ongeduldig.’
Ik strekte mijn rug, die dankbaar kraakte, liep naar de tafel, nam een slok wijn en bekeek nieuwsgierig haar schets.
Het leek of ze met een of andere krompoot bezig was, iemand die in een donkere tunnel strompelde, een in de benen geschoten metromoordenaar die zijn kleren kwijt was.
Ik verloor mijn geduld en werd woedend.
`Wat ben je aan het doen? Waarom sta ik daar voor je? Teken je mij of een of ander monstrum? Afgrijselijk! Je bent helemaal verpest door Rietveld…’ Ik wist niet eens op ze daar had gestudeerd. Haar mond viel open.
`Die klotenacademie voor dwarse huppelkutjes!’
Zoezie lachte. Een onbegrijpelijke lach.
`Toe maar, toe maar. Ga door! Ik ken het probleem. Alle vuil moet eruit. Toe, knal het eruit, als je mij maar niet aanraakt. Zet dat glas neer.’
`Alle vuil? Over vuil gesproken…’ Ik pakte een van haar schetsen. Ze had er meer dan een dozijn gemaakt en ze lagen voor het oprapen, de ene slordiger getekend dan de andere.
`En hoe noem je dit? Moet dit Hamlet voorstellen? De prins van Denemarken die dus de krompoot van Amsterdam is geworden. Een stukje kaas of geen stukje kaas, kwijlt de krompoot…’
Ik gooide de tekening ver van mij weg, bedaarde iets en zette het glas neer, maar pakte meteen een andere tekening waarop Hamlet als een gespierde bonk met een verwrongen, schele kop tussen roestige toneelpilaren stond, op een hellend vlak, zijn geslachtsorgaan hing tot aan de knieën.
`Long live the bloody king!’ riep ik uit.
`Ja, die is wel goed, denk ik.’
Door zo onmogelijk koel te blijven, kalmeerde ze me.
`Zijn ze hier dan niet tevreden mee?’
`Jaa, maar…’
`Maar…?’
Ze keek ernaar, weinig overtuigd.
`Kan je die dan niet uitwerken?’, praatte ik maar wat, intussen verbaasde ik me nog steeds over haar kalmte, dat ze geen aandacht had geschonken aan mijn uitbarsting en beledigingen.
`Zou kunnen.’
`Ik vind… tja, het is hem helemaal: Hamlet suffering the winds of heaven,’ glimlachte ik.
`Er zit teveel kijkwerk in, teveel details.’
`Welnee,’ zei ik, `voor een affiche bedoel je?’
`Laat me nog een proberen. De laatste.’
Walgend wendde ik mij af.
Ze kwam achter mij staan, spreidde haar armen om mijn middel, drukte zich tegen me aan, streelde over mijn navel en leunde met haar hoofd op mijn nek, wat mij razend gelukkig maakte.
Ze was onweerstaanbaar.
`Nog een schets. Heb je zin om daarna met mij naar `De Dode Hert’ te gaan? Je kan wel een borrel gebruiken, lijkt me. Okay?’
`Okay,’ echode ik slaafs en ging weer als een ezel op dezelfde plek staan.
`Probeer maar iets anders,’ riep ze toen ze zag met hoeveel onwil ik mij weer vooroverboog.
Ik ging wijdbeens staan, uitdagend, een hand in de zij, de kin achterover geslagen, pompende adem, met een wrede, verkrampte grimas erbij.
Ze sprong uit haar stoel overeind.
`Fantastisch! En nu rukken!’
Ze begon alvast te schetsen.
Rukken?
Ik begon te rukken, heb nooit gedurfd in het aangezicht van een vrouw mij te laten gaan, maar het moment leek nu rijp. Prachtig, dacht ik, niet zonder enige adresloze wraakgevoelens, ik zal haar laten zien wat rukken is!
Maar het lukte me niet.
Het kost je jaren voordat je enigszins thuis bent in de gedachtewereld van Hamlet. Lullig om te rukken met een plasser, een botloos dingetje in je hand in plaats van een stijve lul.
`Toe nou!’ riep Zoezie.
`Het gaat niet. Ik ben niet geil.’
Ze kwam op vossenvoetjes naar me toe, stapte behoedzaam over de naakte mannen heen, die netjes in hun geschiedenis bleven liggen, en bracht haar lippen dicht bij mijn oor.
`Jij bent niet geil…?’
`Nee.’
`Zal ik je dan een handje helpen?’
Zij knielde voor mij neer en gaf een tot leven wekkende kus, likte, kneedde, kraste met haar vingers als een hondenkam over de buik en gaf toen het teken dat ik het zelf moest overnemen.
Op de spitsen van m’n tenen. Al m’n spieren trokken samen.
Razendsnel was zij aan het tekenen en riep met een stem, die dwars door de ziel heenging: `Dat is het! Dat is het!’
Toen Hamlet werd opgevoerd, hing de affiche overal in de stad. Niemand die mij erin herkende, ook ik zelf niet. Samen met Zoezie bezocht ik de voorstelling die, hoe bekwaam er ook in werd geacteerd, mij koud liet. De regisseur had voor een open vlakte gekozen, een abstract landschap waarin uitsluitend het lichtontwerp (smalle banen die als geleeën in een met duisternis omhuld bospad de weg naar het onspoed aanwezen) enige emotionele suggesties deed, als vervanging van de uiterst onderkoelde tekstbehandeling.
Zoezie was na afloop nogal enthousiast. Zij had zich Hamlet precies zo voorgesteld als ik destijds in haar atelier tekeerging: een rukker en hystericus. Naar mijn gevoel was dat een goedkope interpretatie. Daar kon ik mij weinig in vinden.
`Dat begrijp ik,’ zei ze met opflitsende spotoogjes.
`Dus Shakespeare een pornograaf?’
Ik trok een azijnvies gezicht.
`Natuurlijk,’ antwoordde ze laatdunkend en liet daarbij doorschemeren dat dit het einde van Hamlet was.
Ons contact vervaagde, zoals toevallige contacten graag vervagen. Soms bezocht ik een expositie van haar, dan was ze hartelijk en zoenden we elkaar, luisterde ik naar haar blabla, bekeek haar werk, nam een glas wijn, nog een, nam afscheid en liep mismoedig naar huis. Thuis hangt de affiche. Hamlet poseert in een kostuum zelfzeker onder zijn naam, ongecompliceerd en realistisch, wetend dat hij in een bepaald opzicht gewoon van alle tijden is.
Een keer kwam ik Zoezie tegen op straat, in de nok van de ochtend. We knikten elkaar toe en liepen verder. Achter m’n rug hoorde ik haar stem snijden: `Hamlet!’
Ik draaide me om. Ze zwaaide met beide armen, liet die schaterende lach van haar horen en verdween in de menigte.
Jan Hontscharenko