Illustratie uit mijn schetsboek Vrije tekeningen.

De lach zelf wilde in de bevroren kip binnendringen om te bewijzen dat hij iedereen kon overmeesteren. Waar de lach komt lacht iedereen. Maar de bevroren kip gaf geen krimp. Gewoon omdat het geen leven meer had. Als met een beitel hakte de lach op de kip in en schreeuwde. ‘Ik zal verdomme ook jou aan het lachen brengen!’ schreeuwde de lach. ‘Ontdooi kouwe kip! Toon mij op z’n minst een glimlachje. Kreng!’

Meneer K kon niet ophouden met lachen. Hij knorde als een varken en dreigde zich te verslikken in de lach.
‘Neem een voorbeeld aan Meneer Kusmelier hier,’ zei de lach tegen de kip, die zei niets en de lach vervolgde: ‘Meneer K weet zelf niet meer wat z’n lachlust heeft opgewekt. Ik kwam en toen kon hij zich niet houden, zo simpel is dat. Nu knort hij nog als een varken, maar ik kan hem ook als lacher laten keffen van plezier, of oeh, oeh, oeh, als een uil laten klinken!’

Het was inderdaad waar: Kusmelier maakte rare dierlijke geluiden. De tranen biggelden over z’n wangen en schokschouderend hield hij z’n buik vast. Waarom hij lachte wist hij niet meer, ook dat was waar.
De bevroren kip lag op een schaal, onbewogen, als een ding. Dat zij straks in lachen zou uitbarsten was onwaarschijnlijk. De kip weigerde hardnekkig. Wat een buitengewoon irritant kipje! Kusmelier hielp de lach een handje en gooide de kip op de vloer, gaf haar een schop en de kip rolde (bonk, bonk, bonk) over de vloer, tot vermaak van Kusmelier, al had hij z’n teen enigszins bezeerd.

Het lichaam van de kip zag er belachelijk passief uit, de afgesneden vleugeltjes en de gehalveerde poten waren tot een klomp van onwelwillendheid in elkaar gevouwen. De kip verkeerde in een soort ijselijke trance. Kusmelier pakte haar op en gooide het als een bal in de lucht, ving haar op en gooide haar weer omhoog, nu iets harder, de kip botste tegen het plafond, veroorzaakte daar een barst en bonkte op de vloer neer. Kusmelier ging op z’n rug naast haar liggen, hij imiteerde haar, vouwde z’n benen en armen op, balde z’n lichaam.

Kusmelier probeerde koud onverschillig te blijven, maar schoot toch weer in de lach. Soms is een onbedoeld grapje grappiger dan een bedoeld grapje. Maar dit tafereel, gevloerd door de lach, in tweegevecht met de bevroren kip, sloeg helemaal nergens op.
‘Goed, genoeg gelachen,’ zei Kusmelier tegen de kip, ‘nu de oven in!’