het begrip vrijheid volgens Camus
Albert Camus (1913 – 1960)
de jong gestorven filosoof schreef dagboeken die bol staan van zowel intellectuele als poëtische notities. hij schreef over het vergeefse verdriet dat wij in het lijden ervaren. hij schreef over het verlorene dat wij ervaren als rouwverwerking, hij schreef dat ons tijdelijke bestaan ons bewustzijn ervan door het noodlot bepaalt wordt, en ongrijpbare toevalligheden de zinloosheid inluiden, hij produceerde met veel gemak en souplesse schitterende proza stijlvol geschreven zonder daarbij in mythische pathos te vervallen. Die dagboeken zijn in bijna alle talen vertaald, ook in het Nederlands.
de erkenning van het absurdisme is voor de mens de enige weg naar de vrijheid in zijn bestaan
De kern van zijn filosofie? In elk mensenleven geldt ongeacht de tijd waarin hij leeft het volgende: de enige absolute zekerheid van de naderende dood maakt het leven absurd en zinloos, dat formuleerde Albert Camus expliciet in zijn De Mythe van Sisyphus (1942). Dat lijkt een platvloerse nogal idiote bewering, vooral voor wie goddelijke krachten toedicht aan zijn eigen bestaan, allerlei illusies prefereert, zoals een hiernamaals, maar Camus kent de ficties en analyseert de menselijke existentie gewetensvol en verkondigt dat wanneer de mens eenmaal het absurde heeft ontdekt hij ook niets meer te vrezen heeft. Hij heeft zijn noodlot niet zozeer door een spirituele ervaring overwonnen, maar gewoon door de verachting van het fenomeen noodlot.
Veracht en overwin die verachting. Dat was voor Camus het begin van troostende vrijheid. De mens denkt vrij te zijn maar kan dat in de visie van Camus alleen zijn via de ontdekking van het absurde van alle complexiteit en energieën in de geestelijke werelden. Die ontdekking, dat besef is de basis van de vrijheid waar elk mens naar streeft. Vrij is hij die niet terugdeinst voor de menselijke condities, zoals onbegrip, oorlog voeren, al het kwaadaardige gedrag bekend, er is een fundamenteel antwoord daarop: noodzakelijkerwijze absurd.
Met andere woorden: gaat u maar gewoon dood die op iedereen wacht,. Hier is behalve de filosoof ook de dichter aan het woord. de dichter die Camus ook was en nooit een enkel gedicht prijsgaf toen hij leefde.
Je kan Camus niet verwijten dat hij filosofisch gezien een oppervlakkige visie had op het bestaan. Postuum zijn zijn dagboeken uitgebracht en daarin blijkt hoe zozeer hij in de ban was van het noodlot dat hem trouwens uiteindelijk zelf dodelijk trof op een tijdstip dat wel heel absurd en onverwacht toegreep. Auto-ongeluk. De vierde dag van het eerste jaar 1960. Op slag dood. Te jong, huilde iedereen, lezers die hem een warm hart toedroegen. En het idee van Camus, dat het absurdisme en de menselijke existentie samenvallen, erkenden.
Hij werd een voorbijgaand briesje in de geschiedenis van de filosofie. Zou hij bij leven wel genoegen mee hebben genomen.