Meneer K bezig met het Hiernamaals van Insecten
Wanneer je naast het bed staat waarin een vliegje op het punt staat dood te gaan ben je toch even heel sterk veel meer met je zelf bezig, dringt het besef door van je eigen sterfelijkheid, en denk je niet zozeer na over wat er is gebeurd (bijna dood gemept) en gaat gebeuren met het nietige insectje.
Midden op het witte laken van Meneer Kusmeliers bed lag een zwart vliegje dat hij net van de muur had gemept. Het vliegje was niet helemaal morsdood maar de spasmodisch bewegende pootjes, als je ze zo mag noemen, pootjes, duidden erop dat het laatste insectelijke levenspiepje, als je dat zo mag noemen, insectelijk, elk moment kon aanbreken.
Een aangrijpend moment dat Kusmelier, die nooit een vlieg kwaad deed, onnodig smartelijk uitvergrootte, met een brok in de keel sloeg hij het gespartel van het vliegje gade. Hoogst aandoenlijk. Door het geruis van z’n eigen doodsangst heen hoorde hij het vliegje smeken: ‘Meneer, alstublieft geef me nog een mep!’
Om niet de harteloze toeschouwer uit te hangen gaf hij het vliegje met de palm van zijn hand de doodsklap, pats! En het lijden was voorbij. Daar vloog het vliegje waarschijnlijk meteen het insectenhiernamaals in. Locatie abstract.
Meneer Kus wist niet goed wat hij nu moest doen met het fysieke overblijfsel van het vliegje. Ooit had hij een dode merel in de aarde van z’n tuin begraven. In een kuiltje neerleggen, dat deed je toch niet met een dood vliegje, dat je bovendien zelf had gedood uit ergernis voor zeurende vliegjes.
Tussen wijsvinger en duim, in de zogenaamde pincetgreep, nam hij het vliegje dat niets helemaal niets woog van het laken af, opende zijn mond als bij een hapje bitterbal, en slikte het vliegje ongekauwd door in z’n keel, dat ervoer hij als een smakeloos pilletje tegen hoofdpijn. Hij nam een slok water en voila alles was vergeten. Het vliegje.