Meneer K in actie tijdens de performance  Tibetaanse kakkerlak, studio Amsterdam.

Over de vloer van de Tibetaanse hotelkamer waar K logeerde liep een kakkerlak. Vrolijk fluitend als een eregast liep de kakkerlak wat rond, verkende in eigen rappe tempo de maten van de kamer en bleef toen pal voor K z’n schoenneus stilstaan en begon toen te fluiten, als een merel in Nederlandse tuin. Melodieus maar toch een beetje kakkerlakachtig klonk het wat krakerige schorre gefluit.

‘Fluitcursus gehad?’ vroeg K die zich niet snel verbaasde, wetend dat in Tibet de realiteit geen gewone realiteit was, westerse bezoekers schoten hier in trance en kregen buitenlichamelijke ervaringen.

‘Ja, wanneer het stil wordt na de nucleaire inslag op onze planeet en jullie mensen niet meer bestaan, dan fluiten wij kakkerlakken vrolijk verder. En wij zullen de sterren opnieuw doen laten pinken.’

Hoewel hij zich verheven wist in de bergen van Tibet, (dit was misschien wat Dalai Lama ‘het ontwaken van de geest’ noemde) moest K toch aan de magnetron thuis denken, als je daar een kakkerlak instopte explodeerde de griezel.

De fluitende kakkerlak raadde kennelijk z’n gedachte: ‘Maar ook die magnetron van jullie overleven we makkelijk. We zijn onuitroeibaar!’

‘Tuurlijk,’ zei K, mijn zegen heb je.’ Hij begon vrolijk mee te fluiten met het gefluit van de kakkerlak. ‘Fu-fufwjiet-ffjittetefjiet-pfjiet, fu-fu-pffwjiet-twiet.’ ‘

Ik ga wandelen,’ zei K. ‘Wandel ik met je mee,’ zei de kakkerlak op wat hautaine toon. ‘Als u geen bezwaar heeft.’

K keek weer eens naar beneden, daar bij zijn schoenneus zag hij zowaar de kakkerlak glimlachen. Al fluitend maakten ze samen een wandelingetje. K vertraagde zijn tred, sympathiek gebaar zodat de kakkerlak relax kon volgen.

De boeddhistische monnik die ze tegenkwamen lachte het duo toe. Hij zag dat de kakkerlak geen gewone maar een verlichte kakkerlak was die grote stappen vooruit maakte en in meneer K zag hij een wonderlijke man, geen gewone reiziger die uit nieuwsgierigheid naar Tibet was gekomen maar in Tibet opging alsof hij er was geboren.

De monnik was zelf ook geen gewone monnik, hij had lange vrolijke oren en daarmee wandelde hij een eindje mee op. Hij noemde z’n naam die klonk als Hapjegehad. Weldra begon ook de monnik Hapjegehad te fluiten precies in de toon van de melodie: ‘Fu-fufwjiet-ffjittetefjiet-pfjiet, fu-fu-pffwjiet-twiet.’ Toen gingen de drie fluiters hun eigen weg, vertrouwend dat hun ervaringen vandaag later verwerkt zal worden in het kader van spirituele samenhang.