nieuwe lente mei 2019
Illustratie uit mijn schetsboek Vrije Tekeningen,
gebaseerd op Tsjechovs toneelstuk Drie Zusters
Dagboeknotitie, medio mei de onstuitbare maand 2019 Amsterdam.
De Lente is aangebroken, ik sta elke dag vroeg op met het opgewekte fluiten van de vogeltjes en maak een wandeling in het Park Frankendael. Het waait vandaag, ik zie vogels hoog voorbij vliegen, pijlsnel, met de wind mee. Ze hebben natuurlijk een kop en een staart. Net als tussen haakjes een vlotte prozaïsche vertelling, of een klassiek kort verhaal, heeft ook een kop en een staart, vliegt systematisch met de vleugels van de taal. Elke zin heeft begin en einde, tussenin bevindt zich het midden ervan. Structuur, daarzonder is het hele leven waanzin.
De gewone maar buitengewoon wonderlijke orde der fenomenale flora en fauna is helder zichtbaar in de natuur vroeg in de ochtend wanneer alles ontwaakt in het zachte prille daglicht. Ik luister naar het gezang alom. Klinkt als optimistische muziek. De componist Maurice Ravel baseerde zich op de ritmes van de roepende vogels, Claude Debussy ook. Wie niet luisterde naar de vogeltjes? De repetitie van hun geroep is betoverend. Je bent geneigd met ze mee te fluiten. Zonder verhaal. Woordeloos. Dromend. Je kunt een droom nuchter definiëren als een ervaring in de slaap, is iedereen meteen mee eens.
Maar ook in de muziek kan je terechtkomen in een droomwereld. Deze gedachte die mij binnenvalt schenkt enige vreugde, toch prettig zo’n vlaag van ochtendvreugde, geeft mij tevens het voorgevoel dat ik anders dan op andere dagen vandaag scherp gefocust ben.
Niet alleen Ravel en Debussy waren gek op de zingende vogeltjes, vooral de Franse virtuoze componist Olivier Messiaen was hopeloos verloren verliefd en vond een technische werkwijze om het gezang te integreren in zijn composities. Hij wandelende de bossen in gewapend met een bandrecorder, het op band opgenomen gezang verwerkte hij later in zijn muziek, laat hij bijvoorbeeld de piano en de merel samen spelen en in zijn opera Saint Francois d’Assise hoor je verschillende vogels door elkaar heen kwinkeleren en tsjilpen, als in een kakofonie. Messiaen was een diep religieus mens, obsessief gefixeerd op de Christusfiguur en dichtte de vogeltjes een goddelijke oorsprong toe, klanken als van engeltjes. Het Koninklijke Concertgebouworkest heeft alle drie componisten op het programma staan straks in juni, wat alvast gekerfd is in mijn agenda, die avond wil je niet missen. Zal je zien: de zaal vol met vogelaars, ornithologen en dergelijke.
Tijdens mijn ochtendwandeling kijk ik als een fotograaf zonder camera rondom, eens hier en daar, links en rechts. Af en toe eigenlijk helemaal nergens naar kijken, is ook een optie: je hebt als wandelaar wat je ziet al zo vaak gezien. De beelden aangereikt door de alledaagse werkelijkheid zijn volstrekt bekend. De kleur van lentegras, de prille bladeren ook heerlijk groen. Elk jaar weer hetzelfde. Toch ga je ervan uit dat elke dag wel eens iets anders zou kunnen gaan gebeuren, iets bijzonders, grappig of navertelbaar, daarom zoekt je oog altijd naar iets verrassends. Indien niet op je qui-vive, loop je er zo aan voorbij. Dat je bijvoorbeeld het ene vogeltje dat vliegensvlug uit de oleandertakken wegschiet niet opmerkt. De fluisterende slag van zijn vleugeltjes niet hoort. Zou toch jammer zijn.
Ik loop onsystematisch het park rond, ook waag ik mij in het kleine wilde bosachtige gedeelte, waar de reigers hoog in de bomen hun nesten bouwen, maar de paden zijn ontworpen, slingeren als in de route van een museum keurig in elkaar over, beginpunt en eindpunt zijn bepaald op de technische tekentafel van de parkontwerper, wat afbreuk doet aan de ruige natuur, maar dat neem ik voor lief, dankbaar dat dit stukje strak onderhouden natuur zo dichtbij mijn huis is. Ik ga thuis lunchen met een broodje paling gekocht van de Volendammer vishandel op de Middenweg, naast de Rabobank.
Later die dag slenter ik wat door de stad, ik begin bij mijn biologische bakkerij Le Perron op de kruising van Hogeweg en Middenweg en loop als het ware geblinddoekt, want deze route op de Middenweg heb ik ontelbare keren bewandeld, loop in vage gedachten, negeer de etalages, kom langs de plek waar een gruwelijke moord plaatsvond, Theo van Gogh, allang dood, ik heb hem nog gekend, mijn herinneringen aan hem zullen nooit slijten, ik wil bewust niet denken aan het fenomeen theo-manie, krankzinnigheid veroorzaakt door religieus fanatisme, deze dag even geen donkere tinten in mijn gedachten, geen gevoelens van treurnis en walging. Dus ik loop, negatieve associaties van mij afschuddend, vrolijk verder richting Tropenmuseum en Artis Dierentuin. Ik begrijp wat ik doe. Ik probeer mijzelf te blijven, dat is een beetje dagdromend, een beetje afwezig in de wereld.
Als stadswandelaar, misschien toch wie weet uren onderweg, neem ik iets te lezen mee in mijn rugzak, mocht ik eventueel een terrasje willen gaan pikken, om iets te nuttigen, koffie, wit wijntje of een pilsje, dan heb ik behalve de ochtendkrant en mijn eigen notieboekje ook een recent verschenen roman of gedichtenbundel in mijn bagage. Vandaag is dat een schitterende roman, net verschenen, van de Duitse auteur Wolf Wondratschek getiteld Zelfportret met Russische piano.
Flaptekst van de uitgever:
In een Weens koffiehuis leert een schrijver de oude Soevorin kennen, lang geleden een beroemde Russische pianist. Nu loopt zijn leven ten einde en wil hij zijn verhaal kwijt. De schrijver luistert gefascineerd. Na deze eerste ontmoeting blijven de mannen elkaar treffen. Hoe meer Soevorin over zijn leven vertelt, des te meer versmelten de stemmen van de twee mannen. Zelfportret met Russische piano is een schitterende roman over rebellie, muziek, vrijheid, schoonheid en onsterfelijkheid in de kunst.
In de roman begonnen, ben halverwege en geniet van dit proza. Elegant verteld, raakt de gevoelige snaar van de melancholie. Ik werd jaloers op de schrijver die zo’n bijzondere ontmoeting ervaart, zou die schrijver zelf willen zijn geweest, daar in Wenen, in gesprek met die oude uit de Sovjet-Unie geëmigreerde pianist die de Stalintijd heeft meegemaakt.
Auteur Wolf Wondrtaschek kende ik niet, hij schrijft poëzie en proza al bijna heel zijn leven. Hierbij hulde aan Uitgeverij Lebowski die een van de voornaamste uitgeverijen in Nederland is geworden en de literatuur telkens weer op verrassende wijze weet te stimuleren met briljante publicaties. Ik ken de uitgever enigszins persoonlijk uit het verleden, hij heeft ook mijn roman en novelle gepubliceerd, in het begin van de jaren negentig. Ik vermoedde toen al (potentie, enthousiasme, creativiteit, intelligent inzicht, baanbrekende ideeën) dat hij vleugels zou krijgen waarmee hij boven het Nederlands literaire landschap zou gaan zweven, en een spectaculaire hoogte zou bereiken.
Chapeau Oscar. Mocht je deze tekst ooit lezen, weet dan dat die welgemeend is en dat mijn ervaringen met jou de kwaliteit hebben gekregen van onuitwisbare herinneringen.
De energie van Park Frankendael die ik vanochtend opdeed stroomt langzaam uit mij weg, als gevolg van de herrie, bussen en trams produceren knarsende en bulderende geluiden, het verkeer van onophoudelijk heen en weer rijdende auto’s en fietsers heeft voor mij als stadsmens geen zenuwachtig makend effect, toch voel ik enige auditieve stress opkomen de laatste jaren, sinds Amsterdam-Oost zich heeft ontwikkeld als een walhalla voor jonge ondernemers, expats en start-ups. Op vogeltjes let ik niet meer. Waar zijn de mussen gebleven? Eksters en kraaien zie je sporadisch. Duiven daarentegen alomtegenwoordig. Je moet ze voor je wegschoppen, waarschijnlijk verlos je ze daarmee uit hun lijden.
Rechts van mij bevindt zich het kleurrijke terras van Spaanse restaurant Pata Negra, al bijna boordevol met voornamelijk lachende meisjes, veel lange blonde haren, krullend, valt mij op. Dan ook blauwogig, stel ik mij voor. De kleur van paneermeel als schmink op hun wangen. Tikkeltje rouge erbij. Pure Nederlandinnetjes.
Ik zie de meisjes aan een witte wijn nippen en hapjes tapas nemen, misschien als voorproefje van hun vakantie straks in de zomer, Barcelona. Dan scheren ze hun overtollige schaamhaar weg om esthetisch verantwoord met de bikini’s te kunnen pronken. Zelf heb ik een voorkeur voor bikini’s met een floraal motief, bijvoorbeeld een printje van ontluikend bloesem, zoals nu in de lente.
Heb ooit zo’n bikini gekocht voor mijn vriendin, als cadeau voor haar verjaardag, ze kon het geschenk niet waarderen en weigerde botweg de bikini. Kort daarop hebben we onze relatie beëindigd. Had natuurlijk niet alleen met die bikini te maken. Maar toch. Er bestaan vrouwen die gek genoeg geen gevoel voor kleuren hebben. Bloemetjes zien ze liever op hun tafel in een vaas dan op een jurk of bikini afgebeeld, dat beschouwen ze als naïef romantisch, of zoiets. Vooral de Nederlandinnetjes. Russinnen, is mijn ervaring, zijn verrukt van het florale imago. Ze dragen onbeschaamd een bloemetje in hun haren. Ik heb twee serieuze relaties met Russinnen gehad, Vera uit Moskou en Marina uit Siberië, allebei vonden Nederlandse vrouwen in het algemeen maar lichtzinnige verwaande onbenullige burgerlijke truttige teefjes. Zelf waren ze wat zwaar op de hand, mijn Russinnen. Gingen lijdend door het leven. Toen dichtte ik nog, stelde heimelijk de vraag: ‘Russinnen wat moet ik met jullie beginnen?’
Ik heb totaal geen zin om op deze zonovergoten lentedag aan mijn ex-vriendinnen te gaan denken, negeer het terras van Pata Negra en loop verder langs het hekwerk dat geheel rond het Oosterpark staat. Smalle trottoir. Vele toeristen (m/v) lopen voor mijn voeten, allemaal verdiept in hun rechthoekige schermpjes. Ik hoor Aziatisch, Italiaans, zelfs Russisch. Observeer hun desoriëntatie, hun tempo aarzelend stoort mij, sommigen bewegen zich alsof ze behept zijn met een verstandelijke beperking. De schare (ik geniet even van het archaïsche woord schare dat mij te binnen schiet, synoniem van menigte) bestaande uit veelal non-descripte personen, lummelt voort en ik lummel met enige tegenzin mee. Bewaar mijn kalmte.
Ik loop langs de beroemde geveltekst van Nescio waar de woorden losgelopen uit een novelle in boekvorm de weg hebben gevonden naar de muur aan de voorkant van een appartementenblok. Hulde aan de culturele boys van de gemeente Amsterdam die zijn schrijvers weet te waarderen. Ik krijg geconfronteerd met dit lyrische tekstje van Nescio de neiging (sorry Nescio) een pastiche erop te schrijven, dat wil zeggen: stukje proza in nabootsende stijl. Met satirische of kritische bedoeling? Welke, dat weet ik nog niet, eerder satirisch dan kritisch. Maar die neiging weet ik moeiteloos te onderdrukken, uit respect voor de auteur.
Nescio vind ik trouwens een schitterend getroffen pseudoniem, net als Armando en Belcampo. Als de naam op een o eindigt ben ik al tevreden. Vaak wordt ik gevraagd of mijn achternaam een pseudoniem is.Tegen deze mensen zeg ik doorgaans ga maar eens naar Oekraïne en je zult zien dat mijn naam daar even veel voorkomt als Mulder in Nederland.
Ik maak een foto van een putdeksel, bij de tramhalte 19 tegenover het Tropenmuseum. Aardse kleuren, stevige typografie, de kapitale letters DYKA gegraveerd in roestig ijzer, met een pijltje wijzend naar rechts, Intrigerend. Voor het eerst dat ik dit putdekseltje opmerk, afmeting zo op het oog ongeveer 25 cm bij 25 cm schat ik, ietsje groter misschien, hetzelfde standaardformaat als stoeptegels. Wat betekent Dyka eigenlijk vraag ik mij af. Klinkt als de voornaam van een Kroatische meisje. Ik zie als in een flits het gezicht van een kind opdoemen. Dat beeld verdring ik onmiddellijk en dat lukt. Ik kijk nog eens naar de deksel bij mijn voeten. Vorm-matig ben ik gecharmeerd door de opening in de deksel, waar de wijsvinger perfect in past, dit om de deksel te lichten. Dat laat ik achterwege, ben wel nieuwsgierig wat er dan zou gebeuren. Maar ook weer niet dusdanig geïnteresseerd, deksels van putjes lichten, je vreest een walgelijk stank die je neus bombardeert.
Voorbij de roze flamingo’s van dierentuin Artis, die je aan de straatkant kan zien (ze staan daar in een vijver zich te vervelen, gevangen gehouden middels een hoge koepelvormige kooi) en even later voorbij de Joodse Portugese Synagoge, links van mij, kom ik aan bij de vlooienmarkt van het Waterlooplein. Waarom niet, daar even kijken? Kan geen kwaad, ik heb de tijd om de tijd zelf even te vergeten en op de markt heerst een ontspannen sfeer, zoals altijd. De oliegeur van patatbakken komt mij tegemoet. Nieuw is de Griekse kok die met een mobiel keukentje snacks uit zijn land bereidt, ze ogen hip maar vettig. Gedempt op de achtergrond hoor ik zowaar Bob Marley zingen: ‘Don’t worry about a thing, cause everything is going to be allright.’ Zijn song Three little birds, 1977 als ik mij goed herinner. Hippiemuziek. Je hoort het nog steeds overal in de wereld, ik hoorde het op de hangmat tussen de palmbomen van het strand Palolem, Goya, India, op het strand van Coogee, Sydney en in de nachtcafés van Antwerpen. Bob Marley zingt wat de drie vogeltjes op de drempel van zijn voordeur in Jamaica hem zelf toezingen: ‘Don’t worry about a thing.’ Etcetera. Ook hij liet zich inspireren door de vogeltjes. Het is een troostrijke deinende melodie, stemt je blijmoedig. Waar het hier vandaan komt, (bron/locatie) zie ik niet, is ook niet van belang. Ik slenter verder.
Langs de als dierenhuiden opgestapelde vodden aangeboden op schragen door half tandeloze Egyptische mannen, kom ik langs de boeken, ook op schragen aangeboden. Allemaal boeken. Vele cd’s ook. Zielig aangezicht. Wie wil ze nog? Ongeïnteresseerd slenter ik voorbij aan deze verdrietige galerie van vergetelheid. Maar plotseling – kijk hier gebeurd daadwerkelijk iets verrassends vandaag – val ik op een Spaans boekje dat coloristisch gezien een eigenzinnige boekomslag heeft, alsof je naar een schilderij van Blinky Palermo kijkt, een van mijn favoriete kunstenaars, hoewel het design niet echt om te juichen is, ben ik blij dit boekje te zien. Ik neem meteen een foto met mijn smartphone, die heeft een Leica lens, geweldige resolutie.
Close-up, strakke uitsnede van de foto rommelmarkt Waterlooplein, vintage boeken.
Toevallig ligt het boekje op een stapel van het literaire tijdschrift Revisor, een doos vol met vele jaargangen, maar die heb ik thuis al compleet, de omslag ken ik, we zien de beroemde bookcover van Lolita, roman van Vladimir Nabokov, verfilmd door Stanley Kubrisch. Het tijdschrift deed een thematische special over de relatie literatuur en film. Boeiende stuff. Waard om het nog eens te herlezen. Het niveau dat het tijdschrift had is nooit overtroffen. Nederland is arm geworden qua literaire tijdschriften. 15 euro’s vraagt de verkoper ervoor, de hele doos, en het boekje dat mij intrigeert verkoopt hij voor een halve euro, maar ik laat het liggen en slenter verder de rommelmarkt op. Al genoeg gezien en beleefd, ik neem de metro terug van het Waterlooplein naar het Amstelstation, waar grondig wordt verbouwd met als meest spectaculaire idee de brede Spaanse trap die naar de ingang leidt van het treinstation, vanaf daar is het nog vijf minuutjes lopen en ik ben thuis.
Handenwasser
Mijn eigen huis waar alleen ik de sleutel van heb, Sinds ik in Amsterdam woon is Amsterdam mijn hometown geworden. Zou in geen enkele ander stad of dorpje in Nederland willen wonen. Ik check mijn in de voordeur ingebouwde brievenbus, waarboven mijn naam staat. De traditionele gleuf. Leeg natuurlijk. Overbodige brievenbus geworden. De kans een liefdesbrief te ontvangen via fysieke post is nihil. Of airmail (geen e-mail) mooi blauw volgeschreven briefpapier gestuurd uit Australië. Van mijn ex vrouw uit Sydney. De gedachte aan haar geeft een prikkel van nostalgie, waarmee ik de trap oploop naar mijn keuken. Aldaar eerst mijn handen wassen. Waarom? Laat ik het even klinisch formuleren (is over nagedacht): Alles wat daarvoor vatbaar is wordt vlug vuil. Bijvoorbeeld onderbroeken (remsporen), sokken (zweetplekken) en overhemden (vieze kragen), schoenen vooral, de huid van je gezicht maar ook je handen. Ik ben een handenwasser. Handen raken voordat je het weet vlugger vuil dan schoenen. Altijd wanneer ik thuiskom, het eerste wat ik doe: handen met water en zeep wassen, het sop afspoelen en ze grondig drogen met een handdoek.
Ongewild raak je vaak iets aan wat niet meteen kan worden gecontroleerd op hygiëne. Ik let altijd goed op wat ik aanraak en ben mij als in een voorgeprogrammeerde modus bewust wie ik aanraak, waar en hoe. Lichamelijk contact (seks uitgezonderd) vermijd ik. Afstandelijk, dat is mijn standaard houding tegenover de medemens. Verwacht van mij geen spontane knuffels of begroetingskusjes op de wangen. Met moeite schud ik handen, heb een bijna fobische afkeer voor vuile handen. Klamme vettige handen, hoe weerzinwekkend! Het liefst zou ik wanneer iemand mij een hand aanreikt eerst vragen: Eh, pardon, zijn ze gewassen?
Boeken worden gemakkelijk vuil, ze worden belaagd door stof en ze hebben vaak een onzichtbaar vettig laagje. Wanneer je veel oude tweedehands boeken betast in een antiquariaat, of zoals ik vandaag op de vlooienmarkt, dan krijg je er kleverige vingertoppen van. Als ik iets haat dan is het wel kleverigheid, de smerige dingen die aan je huid blijven plakken. Ben ik een neurotisch geval behept met smetvrees? Ja duidelijk, urenlang (ik overdrijf deze tijdsduur als groteske stijlmiddel) kan ik onder de douche blijven staan en vaak was ik mijn handen terwijl dit juist helemaal niet nodig is. Is deze vrees voor besmetting heel erg? Valt wel mee. Erger zou het zijn wanneer ik de dwang voelde om witte fluwelen handschoentjes te gaan dragen, telkens wanneer ik mij in de openbare ruimte begeef. Maar ik heb ze thuis wel in voorraad, die witte handschoentjes.
Het is 17.00 uur geworden, na het ritueel van handenwassen doe ik mijn schoenen uit en plof op de bank neer. Vermoeid geraakt? Nee, wel verzadigd. En ik heb nog een bijzonder moment in het verschiet. Een lentebock. Mijn voorkeur gaat uit naar het voorjaarsbier van Gulpener, donkerblond, rode doppen. Eerst open ik mijn laptop, check de e-mails, echt niets om vandaag over terug te schrijven
TULPEN
Tenslotte een bijgesneden foto rechtsom geroteerd omwille van de layout van deze pagina, geeft naar mijn gevoel betere verhouding van tekst en beeld; detail van mijn interieur, op de witte ovaalvormige tafel waar ik deze dagboeknotities schrijf zien we de onmisbare tulpen, ze verkeren al in het stadium van verwelken, doen vaasbloemen nogal snel. Na een paar dagen geur en kleur kwijt. Boven de tafel geëxposeerd aan de muur hangen mijn schilderijen. Wat ik nog wilde zeggen: het was mij een genoegen dit dagboek vandaag te schrijven. Ik heb bewondering voor dagboekschrijvers die langs deze weg over hun ervaringen vertelden. Helaas heden ten dage een uitstervend genre geworden. Internet heeft het genre onderuit gehaald. Zelf kom ik er ook niet aan toe dit vaker te doen. Hectiek van het moderne leven.