Kosmische muziek film en literatuur
Deze ochtend uitgeslapen. Zonder wekker wakker worden, dat begint toch een genot te worden. Misschien wel gedroomd wat ik nooit eerder droomde, wie weet. Terwijl ik uit bed stapte dacht ik aan de uitdrukking: ‘Een geboeide ontbinden.’
Los van je boeien raken. Ben ik de geboeide? Was ik geboeid door het huwelijk, dat nu na een moeizaam proces van rouw en verdriet eindelijk voorbij is. Los, mooi woord. Ik viel de losheid in, poëtische formulering. Eenmaal ontbonden verschijnt de illusie van vrijheid en het feit van liefdeloosheid slaat je in het gezicht. Niemand heeft je nodig, kind noch kraai. Dus je kan de wereld weer als je wilt opnieuw veroveren. Nieuwe horizon in zicht, klinkt toch geweldig positief voor een avontuurlijke geest.
Las in mijn pyjama bij het ontbijt de krant en luisterde (wat ik zeker niet elke dag doe) onderwijl naar middeleeuwse muziek van het Ensemble Sequentia, met muziek van de middeleeuwse dichteres, componiste en moeder overste Hildegard van Bingen, absolute hits in de categorie middeleeuwse muziek. ‘Ontdek het mysterie van de hemelse gezangen,’ zegt de lovende flaptekst.
Muziek die op zoek is naar de schakel tussen schoonheid en kosmos. Muziek en literatuur staan niet ver van elkaar af. Cross-over. Hemelse muziek conceptueel verwant aan deze prachtige volzin van Thomas Mann, die een esthetisch gevoel weergeeft:
‘Zijn gezicht, bleek en bevallig ingetogen, door honingkleurig haar omkruld, met de rechte neus, de lieflijke mond, de uitdrukking van bekoorlijke en goddelijke ernst, deed denken aan Griekse beelden uit de edelste periode, en naast de zuiverste volkomenheid van de vorm bezat het een zo’n onvergelijkelijke persoonlijke bekoring dat de beschouwer in de natuur noch in de beeldende kunst iets even geslaagds meende te zijn tegengekomen!’
Aschenbach die de 14-jarige Poolse jongen Tadzio observeert en in zwijm valt over de schoonheid van dat gezicht, in De dood van Venetië van literaire virtuoos Thomas Mann, in de creatieve vertaling van P. Hawinkels. Aan het nogal stroeve slot van de zin… ‘meende te zijn tegengekomen’, met die drie werkwoorden krampachtig achterelkaar, merk je hoe Hawinkels de melodieuze Duitse taal probeerde te benaderen in het Nederlands.
De volzin telt zoveel duizelingwekkende adjectieven dat je niet meer let op meer of minder. Overvloedig gedetailleerd is de beschrijving van het betoverende gezicht. Wat doet de lezer ermee? Ondergaat hij walging of bewondering? Ik geef toe, kan alleen maar bewonderen. Thomas Mann bedoelde de esthetiek van de (mannelijke) jeugd uit te drukken met woorden van beneveling en vervoering juist in de optiek van een achterhaalde negentiende-eeuwse schrijver Gustav von Aschenbach. Die verbale geilheid komt pathetisch over, verwant aan homo’s proza wellicht. Je kan als auteur in 1996 zo’n zin nu niet meer schrijven. Critici zouden je voor gek verklaren, of anderszins je terugwijzen.
Mann schreef de novelle in 1911. Toen cholera nog mogelijk was als doodsoorzaak. Niet te vergelijken met aids, wel even fataal. Je kan De dood van Venetië goed lezen bij een adagio van Gustav Mahler, wat Luchino Visconti deed toen hij het verhaal in 1971 verfilmde. Hij maakte van Aschenbach in plaats van een vermoeide schrijver een componist, die meer met noten bezig was dan met woorden, een geniale wijziging, filmisch gezien.
Visconti vat het drama kort en krachtig samen: Aschenbach komt zijn engel des doods Tadzio in Venetië opzoeken en sterft. Maar zijn ervaringen in Venetie, de schoonheid van het strand, het hotel en de stad als symbool van vergane glorie, en de ontmoeting met Tadzio waren zijn troost.