De helden van België fijnproevers superieure abdijbieren
Proza biografisch in de vorm van memoires
Ik heb na mijn periode in Australie vier jaren in het centrum van Antwerpen gewoond. Huurde een appartement locatie Vlasmarkt, schitterende woonruimte, hoog plafond, grote Venetiaanse ramen, pal boven de uitdragerij van de sympathieke Marokkaanse zakenman Omar, die mij met een glimlach de sleutel gaf, zonder een schriftelijke huurcontract op te stellen. Ik betaalde cash vooruit een paar maanden huur en dan keken we wel verder. Zelden zo’n fantastische deal gemaakt.
Ik ben van Antwerpen gaan houden en raakte gefascineerd door de Vlaamse cultuur. Ontmoette de dichters, hun beeldende kunstenaars en theatermakers, de verheven garde opgevoed met de superieure abdijbieren. Ik genoot van hun laconieke absurdistische gevoel voor humor. Wat heb ik met de mannen gelachen, we dronken samen door tot laat in de nachten. Sluitingstijd kenden we niet, de kroegen mochten open blijven naar eigen gerief. En ze tapten vrolijk door, kassa rinkelend. En wij dronken door tot over onze aardse grenzen. Mateloos maar geroutineerd. Vaak, wanneer de taxi’s zich niet lieten zien, of te lang op zich lieten wachten, waggelden we op glazen beentjes en tandvlees naar huis, ’s ochtends vroeg.
Thuiskomen met een black-out, dat ging meestal goed, we vertrouwden op een soort bovennatuurlijke kracht. We lachten de volgende dag uitbundig in dezelfde kroeg wanneer iemand vertelde dat hij was gestruikeld en met schrammen was thuisgekomen.
We waren helden. In eigen ogen. Sloegen geen acht op de verslaving die ons in de greep hield en ons gedrag bepaalde, mix van geëxalteerd humor maar ook grimmigheid, een soort onderling wantrouwen en jaloezie, soms agressie, verbaal, daar bovenop dagelijkse katers die je moest verwerken, katers die je negeerde wel met de inspanning alsof je een verleidelijke hoer moest weerstaan, katers die je richting afgrond voerden. Gelukkig kon ik op tijd afhaken. Emigreerde terug naar Amsterdam. Liet wel helaas een paar minnaressen in tranen achter.
Kan mij nu herinneren hoe ik die beslissing heb gemaakt. Mede door een observatie in de liederlijke sfeer van een Antwerps nachtcafé. Geschokt als ik was door een oude wezenloze man die ik vreesde ik zelf zou worden wanneer ik in Antwerpen zou blijven hangen.
Een keer zat ik met mijn vriendin in de nachtkroeg nabij de zoo en observeerde een stokoude man, zijn evenwicht kwijt, zonder voortanden en na waarschijnlijk al zeven glazen Duvel dwaas danste op de spekgladde vloer. Zwaaide met zijn armen geheven als een verschrikker van vogels, draaide rond zijn as nabij de barkrukken en hij vermaakte de andere drinkers. Kreeg applaus. Ze bemoedigden de dwaas. Onder luid spottend gelach. Toen drong het besef tot mij door dat die alcoholische helden wanneer ze de kroeg uitgingen, naar huis dwaalden, allemaal onderweg min of meer iets zijn gestorven. Alcoholisten beseffen niet hoe ze sterven. Worden wakker en denken dat ze leven.