Ik ben een Tsjech schrijft Ivan Klima

door | dec 9, 2014 | Recensies

Wachten op het donker, wachten op het licht

uit mijn schetsboek vrije tekeningen

De doodskus van de tijd

Recensie gepubliceerd in De Standaard der Letteren, brussel

Het is uitgesloten dat de romans van de Tsjechische schrijver Ivan Klima (Praag, 1931) zich in een ander land afspelen dan Tsjechië. Klima is Tsjech en wil Tsjech zijn. En die keuze draagt hij met een ijzeren consequentie over op zijn personages, hun daden, gedachten en gevoelens, iedere stap en vooral iedere misstap die ze nemen komt indirect voort uit een betrokkenheid met de geschiedenis van het ongelukkige door het communisme geteisterde Tsjechië. Dat land vormt de grond waarop Klima’s oeuvre is gebouwd.

‘Ik ben een Tsjech. Dit is mijn land. Ik zal misschien jaren van mijn leven schrijven voor de bureaulade en mijn geld verdienen als straatveger, maar ik moet doen wat ik kan,’ schreef hij toen hij na de inval van de Warschaupacttroepen, op commando van Moskou, in 1968 een publicatieverbod in de maag gesplitst kreeg dat twintig jaar duurde, terwijl hij juist op dat moment een jaar lang in Amerika gastcolleges gaf (Klima studeerde Tsjechische taal-en letterkunde en staat bekend als een Kafka-kenner) en de mogelijkheid had in het buitenland te blijven. Hij prefereerde om terug te komen en werd in het stalinistische bewind van president Husak een werkeloze intellectueel, met twaalf ambachten en dertien ongelukken. In de bundel korte verhalen ‘Praagse ochtenden’ (hier in 1990 verschenen) vertelde hij over deze ervaringen.

Uit zijn bekentenis spreekt oppervlakkig gezien een hang naar nationalisme. Niets is minder waar. Wie Klima kent weet beter. Ik lees in deze bekentenis een artistieke beginselverklaring, een op het lijf geschreven credo; erin besloten ligt niet alleen een obsessieve fascinatie voor een ongecompromitteerd schrijverschap, maar vooral de wilskracht om de strijd aan te gaan met het regime. Zoals dikwijls het geval in de voormalige Oostbloklanden, speelde de literatuur een niet te onderschatten rol in de strijd met de politiek, omwille van de individuele vrijheid. De schrijver stond voor het dilemma van loyaliteit of dissidentschap en er was moed voor nodig om voor het laatste te kiezen. Dit klinkt obligaat voor onze democratische oren, maar de implicaties ervan zijn in het westerse bewustzijn, dat van cultuur geniet als een vanzelfsprekend luxueus erfgoed, nauwelijks doorgedrongen. Dissidenten waren de gebeten honden.

Wat betekende het eigenlijk, dat hardnekkige tegen de wind in doorschrijven, ondanks de represailles van de overheid, op het gevaar af van celstraf? Waarom het eigen hachje in dienst stellen van een bijkans fnuikend idealisme? Waarom niet als opportunist onder gegeven omstandigheden er maar het beste van maken en zich aanpassen?

Doorschrijven wilde voor vele Tsjechische auteurs zeggen: voor de eigen fundamentele rechten opkomen en niet in de lafhartige opvatting – liever zelfverloochening dan monddood – neerbuigen en capituleren voor de onrechtvaardigheid van de macht; doorschrijven en hopen dat de eigen strijd (de kracht van het menselijke geweten) effectief werkt, dan wel in collectieve vorm gebundeld met de in opstand gekomen studentenbeweging en de rest van de kritische solidaire intelligentsia. Dat deze hoop niet irreëel en ijdel is geweest blijkt wel uit het verbluffende resultaat dat het parlement van Tsjechië in 1989 een nieuwe president koos die zelf schrijver is, als woordvoerder van de vrije beweging (aanvankelijk onder de noemer Charter ’77) versus de communistische partij op de blokkaden stond en bovendien ex-politieke gevangene was: Vaclav Havel. Toen Havel bekroond werd was de ‘Fluwelen Revolutie’ een feit en daarmee de democratie alswel de vrijheid van de Tsjechische muze.

In zijn nieuwe onlangs vertaalde roman Wachten op het donker, wachten op het licht gaat Klima in op de psychologische problemen die de overgang sinds de Fluwelen Revolutie heeft gebracht – de echo’s die uit de put van de communistische periode terugkaatsen op de vrijgeworden ziel. De liberalisering veroorzaakte een verstarring bij vooral de burgers die zich min of meer hadden aangepast aan de autoritair-patriachale structuren binnen de maatschappelijke organisaties waarin ze functioneerden. Het thema van de roman is de verstarring als paradoxale conditie van de vrije geest.

Hoofdpersonage is de in staatsdienst werkende cameraman Pavel, een tobberig type van middelbare leeftijd. Hij documenteert in opdracht van de televisie vergaderingen van fabrieken en verenigingen met evenveel onverschilligheid als hij later de openbare pleindemonstraties en andere sociale onlusten moet filmen voor het journaal, dat uiteraard gecensureerd word. Zijn weerzin laat zich verklaren uit zijn verleden als mislukte vluchteling en ex-gevangene. Wie de met prikkeldraad afgebakende grens van het land wilde overschrijden en pech had in de kraag te worden gevat door de bewakers werd abrupt de gevangenis in gegooid, waar hij chantonnen van kroonluchters mocht gaan slijpen. (Klima verbleef zelf tijdens de tweede wereldoorlog in het concentratiekamp Theresienstadt).

Pavel is doordat zijn drang naar vrijheid werd afgestraft innerlijk verscheurd, zijn verleden achtervolgt hem en ontneemt hem zijn rust. Tobberig type is wellicht te zacht uitgedrukt, hij is als melancholicus dicht nabij de hypochondrie geraakt die hem doorpriemt met een funest besef van overbodigheid. Hij laat de veranderingen over zich heenkomen zonder zich zelf schrap te zetten. Elk initiatief dat hij nog toont mislukt schromelijk. Zijn hart is bovendien bevangen door een verloren liefde, die wanneer hij haar alsnog opzoekt hem afwijst. Intussen strandt ook zijn liefdeloze verhouding met een gescheiden vrouw wegens zijn gebrek aan inzet. Andere vrouwen talen niet meer naar hem.

Af en toe bij z’n demente bejaarde moeder inwonen maakt hem niet vrolijk. Hij verzorgt haar min of meer plichtmatig. Bakt een eitje voor haar, klets wat met haar als tegen een vreemde. Haar geest is al afgestorven, haar lichaam volgt. De dood van zijn moeder bedrukt hem, z’n verlatenheid is schrijnend en maakt hem zielig. Zijn inertie isoleert hem sociaal en hij begint te drinken als een poging zichzelf te vergeten. Voor hem is het democratiseringsproces te laat gekomen en het enige wat hem lokt is de diepte van het ravijn.

Klima dramatiseerde dit gegeven zonder het aan te dikken. Zijn stijl is kristalhelder, geen enkele zin is zonder functie of bewust overgestileerd, het proza is luchtig als een zwevend tapijtje dat zich loszingt van het drama, uitgebalanceerd is de toch niet eenvoudige opbouw van het verhaal van Pavels ongelukkige leven, en de bizarre elementen die verwerkt worden doen gruwelijk gewoon aan, maar de meeste bewondering oogst Klima door de compositie van de roman. Hij koos voor twee lineaire maar onderling in de toonzetting contrasterende verhalen.

Deze dubbele laag geeft een sprankelende dimensie aan de roman, de dwarsverbinding zijn ingenieus toegepast. Als cameraman hoopt Pavel ooit nog een film te maken en terwijl hij door het leven sukkelt schrijft hij heimelijk een filmscript. Fragmenten van dat script plaatste Klima telkens achter aan de hoofdstukken, als onderbreking van het hoofdverhaal. Het spreekt bijna vanzelf dat deze teksten veel actie hebben, ze zijn provocerend, humoristisch, avontuurlijk, spannend en beeldend, scène na scène flitsen voorbij op het netvlies vooral wanneer men deze teksten afzonderlijk leest, los van de beschrijvingen in de hijvorm.

Het bijzondere van deze dubbele bodem is dat het script op autobiografische wijze, dus in de ikvorm, in grote lijnen hetzelfde vertelt wat in de situaties en gebeurtenissen die Klima beschrijft ook voorkomen, maar dan op een meer hilarische, spotdrijvende manier. De aparte vertellingen volgen elkaar op en sluiten uiteindelijk op verrassende wijze bij elkaar aan. Alleen de grootste romanschrijvers kunnen zo’n techniek hanteren zonder in postmoderne gekunsteldheid te vervallen. Reminiscenties aan Milan Kundera’s ‘De ondraaglijke lichtheid van het bestaan’ (inmiddels meer dan tien jaren geleden) kunnen niet uitblijven. Daar komt nog bij dat Klima zijn proza lardeert met beschouwinkjes, of eerder zijn het kleine socratische vraagjes die een aforistische allure hebben. Bijvoorbeeld: ‘Wat is toekomst? De toekomst is de tijd die alles wat aan haar voorafging in twijfel trekt.’ Treffend vond ik ook: ‘Wat is een foto? Een foto is een onbeweeglijke registratie van de beweging. Een verstarde weergave van het leven. Een foto is een doodskus die voorwendt onvergankelijk te zijn.’

Zo zijn er meerdere zijsprongetjes te genieten, meestal van onopvallend filosofische strekking, die voortreffelijk en uiterst geraffineerd zijn vermengd zonder het ritme van de roman te verstoren. Je legt dit boek niet even aan de kant. Het beklijft zoals je sommige stukjes melodie nooit zal vergeten. Midden in de nacht word je wakker van zijn zinnen en gedachten. De gordijnen zijn dicht, buiten is het donker maar in je hoofd licht het op wanneer je je een passage herinnert als deze: ‘De wereld is zoiets als een enorme weegschaal. En zodra het kwaad te zwaar gaat wegen, strijken er aan de andere lichtere kant engelen neer, niemand die hen ziet, maar zij dringen op hun tenen bij elkaar en herstellen zo het evenwicht.’

Prachtig, ontroerend ook als je bedenkt hoe die engelen boven Tsjechië zijn neergedaald en het land van stalinistische terreur hebben bevrijd. Klima is een schrijver die het intellect alswel het hart aanspreekt.