Russische Literatuur Joeri Oljesja
boekomslag tweede druk uitgeverij van Oorschot, 1980
Juweeltje over dubieuze slachtoffers van de Russische revolutie – jaloers op het succes van de worstenmaker.
In de reeks Russische miniaturen van G.A. van Oorschot is sinds kort de roman Afgunst weer verkrijgbaar, een dun meesterwerkje dat de schrijver Joeri Karlovitsj Oljesja tussen de twee wereldoorlogen in opslag beroemd maakte. Vertaler Charles B. Timmer zorgde voor een schitterende bewerking die nergens echt ‘vertaald’ klinkt: elke zin loopt als een trein door het landschap van de bellettrie.
De roman speelt zich af in het jaar 1927, de overgangstijd tussen de oude en de nieuwe wereld. De Russische revolutie is net haar kinderschoenen ontgroeid en de Sovjet maatschappij begint langzaam haar definitieve structuur te krijgen, geënt op het marxistische streven naar een klasseloze maatschappij. Edoch, de dictator Stalin komt aan de macht. Zijn politiek is rampzalig.
Het grootste communistische ideaal was overvloed aan productie, alle kleine bedrijfjes werden gecollectiveerd in dienst van de staat, die een strenge controle uitoefende. Zo werd een worstenfabrikant gemakkelijk een in belangrijke in weelde barende partij bureaucraat, terwijl de meer innerlijk begaafde intellectueel of kunstenaar gedoemd was om een mislukking te worden, veroordeeld tot een hondenleven. Ziedaar het satirische thema van Oljesja’s roman. Het gaat over de worstenmaker ‘een burger van een zeer solide voorkomen, wiens gelaatstrekken duidelijk verrieden hoe gewichtig hij was voor de staat’, die de ikfiguur van het verhaal, dromer en nietsnut, van de straat oppikt. De worstenmaker hult hem in zijn weelde, kneedt hem tot zijn particuliere nar en weet hem dusdanig te onderwerpen dat hij als loopjongen de nieuwste worsten rondbrengt. Schrijnend is de tegenstrijdigheid van gevoelens van de ikfiguur: aan de ene kant is hij zijn weldoener diep erkentelijk, maar aan de andere kant voelt hij zich vernederd; hij bewondert de worstenmaker en is tevens vervuld van afgunst door diens maatschappelijk succes.
Oljesja’s antiheld, naïef van geest, moet zich aanpassen aan het Sovjetregime en in het falen van die aanpassing ligt zijn dramatiek besloten. Hij zet zich af tegen de nieuwe wereld en de ‘productiemens’ en vindt in deze strijd een metgezel in Iwan, ironisch genoeg de broer van de worstenmaker. Iwan is behept met bijzondere geestelijke gaven, lijdt aan grootheidswaanzin en springt in de cafés op tafel om het publiek toe te spreken.
Ivan verwenst de revolutie en de opkomst van de techniek, zijn hersens zitten propvol dromen. In het vertellen van de fantasieën van deze grootheidswaanzinnige bereikt Oljesja een weergaloos sprankelend, artistiek proza vol potsierlijke wendingen, proza dat soms neigt naar het surrealisme. Het wemelt van de originele beeldspraak. Enkele voorbeeldjes: ‘een neus die van terzijde op het cijfer zes leek’. Of: ‘Ik kan er niet over praten zonder dat mijn hart erbij op en neer springt als een ei in kokend water.’
illustratie karikatuur van Oljesja door de schrijver van deze recensie jan hontscharenko gepubliceerd in Nieuwsblad van het Noorden 1980
Het Detail – Tsjechoviaanse beheersing van gedetailleerde beschrijving
Ook de overige literaire procedés die Oljesja gebruikt zijn hoewel niet echt vernieuwend, telkens even sprankelend als functioneel. Ondanks de schilderachtigheid van zijn verteltrant, de beeldende dynamiek ervan, dringt zich nergens een overtollig woord op, één detail bevat voor hem voldoende spanning om er een voelbare sfeer mee te scheppen. Het detail, dat is zijn grootste kracht, iets wat hij met Tsjechov gemeen heeft. Een voorbeeld: ‘De jonge zware borsten die je in de halsopening van hun blouse kon zien liggen, glansden wit. Vereenzaamd en overal verjaagd slurpte ik gulzig die witheid op, wier naam was: melk, moederschap, huwelijk, trots, reinheid.’
Het psychologische probleem waar de ikfiguur en zijn vriend mee worstelen, wordt in de loop van het verhaal zonneklaar. Innerlijke revolte vervormt zich tot iets gedrochtelijks, tot afgunst: ‘Mijn vriend, wat aan ons knaagt is afgunst. Wij zijn jaloers op de tijd die komen gaat,’ bekent Ivan, ‘verschrikkelijk hoe het zuur van de afgunst in je bijt. De afgunst snoert je de keel spasmodisch dicht tot je ogen uit hun kassen puilen.’
Na deze pijnlijke bewustwording rukt de ikfiguur zich van de worstenmaker los, verklaart hen tot zijn vijand en koester moordplannen. Triest is het slot wanneer beide antihelden als zielige dronkaards in het reusachtige bed belanden van een weduwe, ‘een bejaarde vette vrouw met een lichaam dat je als een leverworst zou kunnen uitknijpen’. Nog even proberen zij als laatste stuiptrekking hun afgunst te overwinnen met het paardenmiddel onverschilligheid: ‘Laten we onverschillig zijn! Ik geloof dat de onverschilligheid de hoogste staat is die de menselijke geest kan bereiken. Drink! Op de onverschilligheid!’ Typische Russische van fatalisme doorspekte kreet.
Afgunst is een juweel, geschreven met gevoel voor ritme en cadans. Zelden las ik een roman zo snel uit. Ook als satire op het stalinistische communisme is het niet minder geslaagd. Wonderwel heeft de schrijver Joeri Oljesja nauwelijks moeilijkheden met de censuur gehad. Integendeel, zijn roman werd om de haverklap herdrukt. De reden van dit succes ligt wellicht in de subtiliteit van Oljesja’s stijl: hij tekent de contouren van de sociale werkelijkheid niet, maar onthult toch langs de weg van het detail enkele verrassende aspecten van diezelfde werkelijkheid. Hij uit geen directe kritiek terwijl hij het verhaal heel en af toe voorziet van lichtelijk partijvriendelijke opmerkingen. Een misschien dubieuze truc die niettemin wel meer officiële Russische schrijvers toegepast hebben om niet als irrelevante auteur weggemoffeld te worden in de uitpuilende kluizen van de Sovjet-censuur.