RECENSIE Korte Verhalen – Postuum Werk J. Bernlef.
Hij is 2012 overleden, stokoud en niemand verbaasde zich erover dat hij diverse voltooide en ongepubliceerde manuscripten achterliet, zegt zijn uitgever tegenover de pers. Maar wacht even. Wel voltooid maar ongepubliceerd? Hoezo? Luie onwelwillende uitgever? Nee, gezien al het werk dat ze wel hebben uitgegeven van hem, een manshoge stapel fantastische boeken. Misschien heeft Bernlef zelf aan de kwaliteit van zijn nagelaten werk getwijfeld? Proza dat naar zijn gevoel moest groeien in de broeikast van de tijd om later definitief te bewerken? Zijn eigen vertelstijl, laconiek maar scherp, kende een dwingend comprimerend proces. Hij was trouwens een voorvechter van het genre korte verhalen in de tijd toen de uitgevers er hun neus voor ophaalden, het genre krijgt nu iets meer respect maar nog steeds is het in de literaire wereld min of meer taboe als debutant met een bundel korte verhalen te beginnen. Gebrek aan lezers, dus commercieel niet interessant.
Bernlef was een meester in het genre, hij begreep de essentie: weinig omhaal van woorden, opsmuk onverbiddelijk uitgesloten, minimalistische zinnen en suggestieve sfeer. Plots, pointes? Onbelangrijk. Details? Onontbeerlijk. Zijn personages zijn veelal zoekende figuren die hun menselijke herkenbaarheid ontlenen aan de meestal alledaagse verwarringen in de wereld en de onmogelijkheid zichzelf absoluut te kennen – abstract uitgedrukt: identiteit is even ondefinieerbaar als realiteit.
Geslaagd is het verhaal De spiegelkijker. Gaat over een man die op een dag ontdekt hoe steriel zijn ijdelheid is, hoe obsessief hij dweept met zijn ego en hoe hij zich ledig bezighoudt met het modieuze voorkomen van een succesvolle man. Hij ondergaat een vernieuwend innerlijk proces. Om zich te bevrijden bekeert hij zich tot de leer van Zen, hij verwijdert alle spiegels in zijn huis en in plaats van zijn met tal van grappige anekdotes doordrenkte conversaties doet hij in gezelschap van zijn vrienden nu meestal het zwijgen ertoe, alsof zijn verwijderde spiegels niet alleen zijn narcisme maar ook zijn vocabulaire reduceerde. In zijn sabbatical gaat hij wandelen in Tibet, waar hij onverwacht sterft aan een hartstilstand. Hoe lees je zo’n achteloos vertelde finale wending? Het doodgaan als de ultieme ervaring van het ik? Het is hoe dan ook een verrassend slot.
Treffend ook in deze postume bundel Wit geld is het korte verhaal De figurant. Gaat over een man die de schaduw verkiest, geen aandacht opeist en het liefst onzichtbaar blijft in de wereld. Slechts een onbegrepen zonderling zou zich in huidige tijdgeest met deze figurant kunnen identificeren, je zou het type individu kunnen omschrijven als een Kierkegaardiaans enkeling, vervaldatum voorbij. Niemand verlangt heden ten dage bewust naar de figurantenrol, als bewijs van zijn onbeduidendheid als mens. Het laat zich raden dat Bernlef, die altijd als een soort afstandelijke buitenstaander, iemand die observeert maar dit doet niet zonder empathie, een ironisch zelfportret beproefde in dit verhaal, wie die persoon werkelijk is blijft verborgen in het verhaal, de kern van een figurant.
Elke schrijver heeft afzondering nodig. Bernlef was een monnik. Kijk naar de diepe lagen van zijn oeuvre, hoeveel en intens hij gepeinsd heeft, over de zin van het bestaan. Maar dat kathedraal-achtige denkwerk is niet expliciet thematisch aanwezig in zijn oeuvre. Hij verdisconteerde het denken in zijn poëzie, romans, korte verhalen en essays. Kortom, de literatuur was zijn filosofische anker. En de taal zelf was de muze van zijn leven. En de jazz natuurlijk. Thelonious Monk bijvoorbeeld. Art Pepper.