Russische Literatuur Vergeten Schrijver Dobytsjin

door | Recensies

 Recensie gepubliceerd in De Standaard der Letteren, Brussel

Toen in 1991 de Nederlandse vertaling verscheen van de novelle De Stad N geschreven in 1935, van Leonid Ivanovitsj Dobystjin (1896-1936), was een nieuw schrijverstalent uit Rusland ontdekt. Snel daarop volgde het meesterwerk Ontmoetingen met Liz in vertaling. Daarna werd het lange tijd stil rond Dobystjin, totdat onlangs z’n derde boek is verschenen: Sjoerka’s familie. Dobytsjins bescheiden maar kernachtige oeuvre is nu compleet vertaald.

Liefhebbers en kenners wereldwijd koesteren z’n drie boeken als parels van de Russische literatuur. Viktor Jerofejev analyseerde in z’n essaybundel ‘Labyrint van de verdoemde vragen’ het fenomeen ‘vergeten boek’ en stelde Dobystjin als voorbeeld van een auteur die z’n plaats had gekregen in ‘het kerkhof van de vergeten boeken in de wereldliteratuur.’ Dit essay heeft belangrijk bijgedragen aan Dobytsjins erkenning.

Over Dobytsjins leven is weinig bekend. Hij pleegde op relatief jonge leeftijd (41 jaar) zelfmoord – verdrinkingsdood in de rivier de Neva. Aan z’n vrienden liet hij een briefje achter: ‘Zoek maar niet, ik ga een verre reis maken.’ Z’n werk werd in de Sovjet-Unie niet begrepen, verboden, uit de bibliotheken verwijderd en vernietigd. Het is helaas altijd hetzelfde liedje: vele Russische schrijvers en dichters die in het tijdperk van Stalin leefden werden tot wanhoop gedreven door de censuurmachine van deze literair analfabetische dictator.

Dobytsjins proza heeft een eigenzinnig signatuur. Hij schreef uitsluitend compacte, korte en huppelende zinnetjes, die schijnbaar ontleend zijn aan de jeugdliteratuur en sprookjesachtige vertellingen. Aanvankelijk raak je tureluurs van deze zinnetjes met aanduidingen die van de hak op de tak springen, wat versterkt wordt door het rusteloze ritme van de alinea’s, vermoeiend om geconcentreerd te blijven lezen, maar later wanneer ook de ogen eenmaal gewend zijn aan het verteltempo, merk je de bijzondere kracht van deze zinnetjes, hun klonterig karakter lost zich gaandeweg op in een vloeiend geheel, de toon: accelerando, de beelden: poëtisch.
Hoewel Dobytsjins schrijfstijl kinderlijk eenvoudig lijkt, is het proza strak, als in een korset gehesen, de narratieve constructie baseert zich op irrelevante informatie over persoontjes die komen en gaan en gebeurtenisjes die toevallig plaatsvinden, intussen is die irrelevantie de verbindende factor van de sfeertekening, aldus wordt de lezer een aangenaam tijdelijk verblijf gegund in Sjoerka’s dorpje. Van Dobystjin mag men geen plot verwachten, evenmin intriges, zijn devies is de achteloosheid van de vertelling. Het gaat hem om de kleine vanzelfsprekende dingetjes van het alledaagse leven. Over de techniek van z’n stijl heeft hij nagedacht, het verhaal dat hij vertelt lijkt zichzelf te vertellen.

Sjoerka is een ventje van negen jaar, het type ruwe bolster blanke pit. Samen met z’n moeder, broers en zussen probeert hij te overleven in de armzalig omstandigheden van het platteland, tijdens de revolutie en de burgeroorlog. Zijn vader is vertrokken, strijdt als soldaat in het rode leger. In deze roerige oorlogstijd (‘ergens begonnen de kanonnen te dreunen’) volgt Sjoerka een soort overlevingscursus. Zijn leermeester is het 14 jarige boefje Jegorka. Ze stelen op het treinstation de tassen en manden van oude vrouwtjes, rollen de zakken van slapende mensen, verkopen de buit op de markt, delen als partners in crime de winst en wanneer er zich geen kansen voordoen op hun boevenpad bedelen ze als weeskinderen om een aalmoes. Alles tamelijk onschuldig, totdat ze een dronkenman die straalbezopen in de sneeuw neervalt van z’n schoenen en kleren beroven, ze zijn bereid hem desnoods te doden.

Maar een moord zal Sjoerka niet begaan, zijn leermeester overlijdt aan tyfus en Sjoerka maakt zich nuttig als boerenhulpje. Hij is keihard geworden, een beetje sadistisch, wat blijkt uit de scène met de reu, samen met een ander vriendje hakt hij met een bijl de staart van de reu af, gewoon om een ‘kunstje’ uit te halen. De vriendjes lachen hartelijk, dikke pret, achteloos wordt de afgeslagen staart over een schutting gesmeten.

Op het einde lijkt het werkelijke verhaal pas te beginnen, wanneer Sjoerka z’n ouderlijk huis en het dorp verlaat, zich in een goederenwagon verstopt en op reis gaat naar de grote stad. De lezer heeft het diefje dan al in z’n hart gesloten en wenst hem veel succes toe in z’n criminele toekomst – met een knipoog.

Leonin Dobytsjin: ‘Joerka’s familie’.
Vertaald door Arie van der Ent.
Uitg. Wereldbibliotheek.