Waakhond Rasboy Celo Lowin
DAGBOEK
portret van rasboy waakhond kruising wolf bewaakte het erf van mijn tante Nadja in Celo Lowin
Honden. Fantastisch om ze te observeren rennend en spelend in het vrije veld. Zelf heb ik nooit een hond gehad. Allergisch. Wat in mijn autobiografie ontbreekt is een ontrouwe hond of een ex-hond. In mijn novelle De handkus fantaseerde ik over een hond, genaamd Poesjkin (naar de Russische dichter Poesjkin) met wie ik samenwoonde. Poesjkin heeft mij in dat fictieve verhaal zomaar dus zonder enige reden verlaten. Nooit meer thuisgekomen.
Dramatisch motief van de novelle. Literatuur als substituut. De enige hond van wie ik echt heb gehouden was Rasboy, de Oekraïense waakhond op het erf van mijn tante Nadja in het dorp Celo Lowin. Zie foto. Op deze wijze gedenk ik hem niet zonder enige sentimentaliteit. Rasboy is op gruwelijke wijze vermoord, vermoedelijk door beschonken dieven uit het dorp. Ik heb over hem geschreven in mijn roman Perrongeliefden. Pagina 215.
‘Ik kleedde me aan en liep langs Rasboy, die blaffend en zwaaiend met zijn staart frontaal tegen me opsprong en mij met zijn voorpoten omhelsde. ‘Goed, Rasboy, goed, ja we zijn vrienden, jij en ik. Ook in mij schuilt een hond. Ik ken de ketting,’ sprak ik hem toe, wat hem nog meer opwond.Ik bewonderde zijn lange tong, gaaf-rozerood, opzij kronkelend tussen zijn solide tanden, schitterend pigment tegen zijn antracietkleurige vacht, maar zijn ijzeren ketting hing als een crucifix om zijn hals.’
uit mijn schetsboek vrije tekeningen