Roman Frister Het smoelwerk van de Holocaust

door jun 3, 2007Recensies

Recensie van de internationale bestseller van de Israëlische auteur Roman Frister, titel: Autobiografie, zelfportret met litteken. Memoires van een joods overlevende.

‘Kennelijk kun je pas na verloop van tijd inzien dat het vermogen om weg te lopen voor ongewenste ervaringen, om een bedreigende realiteit te ontkennen, een noodzakelijke overlevingsmechanisme was. Ook ik heb geprobeerd mijn oorlogservaringen te verdringen. Elke herinnering die te kwellend was, die pijn deed, die mijn weerstand dreigde te ondermijnen, veranderde zelf in een witte vlek in mijn geheugen.’

Arrestatie Gestapo

Met deze verklaring zette de Israëlische schrijver Roman Frister, die in 1924 in het Poolse textielstadje Bielsko werd geboren, de toon voor zijn autobiografie, die een tamelijk concrete getuigenis vormt van de hel van de holocaust. Frister was een overlevende die niet naar totale geheugenverlies heeft gesmacht, in plaats van allemaal tussen de witte vlekken te leven besloot hij zijn leven in de hel te beschrijven: ‘Moet ik mij erbij neerleggen dat de holocaust een grote invloed op de vorming van mijn persoonlijkheid heeft gehad? Dat ik erdoor gedreven word mijn ongenezen littekens bloot te leggen?’

Wat hij heeft meegemaakt tart elke verbeelding en roept de vraag op: hoeveel pijn, vernederingen en gruwelijkheden kan de mens verdragen in noodsituaties? Geen enkele lezer zal nietsvermoedend of vrolijk fluitend aan dit boek beginnen, hij weet dat hij zal worden overgoten met schokkende beelden, een beestachtige nachtmerrie. Hij kan zijn borst nat maken. Roman Frister zal hem in dit opzicht niet teleurstellen. Ik werd bijna ziek en kotsmisselijk van zijn autobiografie die dwingt tot betrokkenheid en respect.

Deze hel begint wanneer de anti-antisemitische aanplakbiljetten verschijnen in de straten van Bielsko en de nazi propagandisten hun hakenkruizen uit het raam hangen, daarna komt de oorlogsverklaring van de Duitsers die binnen een paar dagen met groot militair geweld heel Polen overdonderen en alle joden, die niet op tijd zijn gevlucht of ondergedoken waren, gevangen namen en in de vernietigingskampen werden gestuurd. Terwijl zijn ouders zijn ondergedoken loopt Roman als een brutale jongen van zeventien in een Hitler-Jugenduniform (‘dat uniform was mijn pantser’) over de straten, maar toch wordt hij gearresteerd door de Gestapo, verklikt door een joodse collaborateur (die aan de Duitse soldaten laat zien dat een joods jongetje meteen te herkennen is wanneer je zijn onderbroek laat zakken – zijn besnijdenis vormt de onvermijdelijke ontmaskering); Roman wordt gedwongen het onderduikadres van zijn ouders aan te wijzen, het gezin wordt dan gedeporteerd naar het concentratiekamp Majowka, waar zijn vader, verzwakt door de besmetting van de vlektyfus, op een brits overlijdt.

Later is Roman ooggetuige hoe het hoofd van zijn moeder door de SS-officier Kunde met de geweerkolf wordt verbrijzeld. Ondanks deze bloederige moord weet Roman zichzelf in leven te houden, hij beseft dat wraakgevoelens destructief zijn en schikt zich in zijn lot. Hij wil zichzelf niet door het kwaad laten leiden, maar richt zijn blik op de eventuele vrijheid. Dikwijls ontloopt hij de dood dankzij absurde kleine toevalligheidjes. Maar ook op eigen initiatief weet hij zich te redden, zo laat hij zich inschrijven voor fabriekswerk en wordt hij vervoerd naar drie verschillende concentratiekampen, waaronder Auschwitz en Mauthausen.

 In de kampen ziet hij hoe de uitgeputte lichamen als lijken naast hem neerploffen en in de massagraven worden gedumpt. Wanhopige mensen storten zich op de omheining van de hoogspanningsdraden en verlossen zich uit hun lijden door elektrocutie. Maar in zijn ogen zijn deze mensen zwakkelingen. De onverschrokkenheid die hij aan de dag legt is bijna onvoorstelbaar. Al bij de eerste dode die hij ziet (een Poolse soldaat die door een Stuka-vliegtuig wordt neergeschoten) noteert Frister: ‘Ik schrok niet.’ Ook later zou hij nergens van terugschrikken. De shocktoestand kwam pas vijf jaren later, na de bevrijding.

Roman begint een strategie te ontwikkelen om ten koste van alles en iedereen te overleven, hierin is hij kil, beredenerend en intelligent. Wanneer hij gewelddadig wordt verkracht door een homosexuele joodse medegevangene, pakt de verkrachter hem zijn muts af. Zonder muts werd tijdens het dagelijkse ochtendappel elke gevangene meteen geëxecuteerd. Doordrongen van deze wrede regel van de nazibeulen steelt Roman ’s nachts in de slaapbarak een muts van een andere jonge gevangene, die de volgende dag dan ook wordt doodgeschoten. Later, wanneer de hel voorbij is, vraagt hij zich af: ‘Was dit een moord? Heb ik die onschuldige jongen de dood ingestuurd?’

Een lezer in Israel schreef aan Frister: ‘Het spijt mij, maar ik kan nooit meer u de handen schudden, ik gruw bij de gedachte dat de dode gevangene van wie u de muts heeft gestolen mijn vader had kunnen zijn die in Auschwitz is omgekomen!’

Onthutsende details

Frister antwoordde dat hij zijn daad niet betreurde en verdedigde zich met de opvatting dat de menselijke wetten in de duisteren tijden niet universeel zijn vergeleken met de waarden en normen in onze verlichte tijden.

Zijn daad was hem ingegeven door een ongelooflijke overlevingsdrang, dat instinct was zo sterk dat wanneer het hem is gelukt met een groep gevangenen een keer uit Auschwitz te ontsnappen, hij toch stiekem terugkeerde naar het kamp, om aan een hongersdood in de besneeuwde bossen te ontkomen. Ontsnapte gevangenen konden op geen enkele sympathie rekenen van de dorpsbewoners, integendeel, ze werden opgepakt en als vee aan de Duitsers doorverkocht.

Frister autobiografie staat vol met zulke onthutsende details. Zijn levensverhaal beschrijft hij zonder de pretentie van de literaire tonaliteit, zoals wel het geval in de beroemde thematisch aanverwante roman De geverfde vogel van Jerzy Kosinsky die van gestileerde volzinnen hield.

Als journalist (momenteel is hij directeur van de school voor journalistiek in Tel Aviv) kent Frister de werking van een dynamische tekst, maar zijn grootste verdienste is dat hij in een glasheldere stijl de holocaust een smoelwerk weet te geven. Zo dichtbij, oog in oog met het monster, is dat even schrikken.

Roman Frister:

‘Zelfportret met litteken’.
-Een autobiografie. Vert. uit het Hebreeuws: Shulamith Bamberger. Uitg. Contact. Amsterdam.

Recensie gepubliceerd in Standaard der Letteren, Brussel 4 juni 1998.